Het Zillertal opent zich vanaf het Inntal als een groene gelijkbenige omgekeerde driehoek, met de Ziller die er nu eens gelaten, na een storm dan weer onstuimig doorheen kronkelt, en sluit zich pas helemaal achteraan, waar de gletsjers van de Zillertaler Hauptkamm de horizon dichtmetselen. Onderweg ligt het dal vol met dorpen die elk hun eigen karakter koesteren: het quirky Ried met zijn jonge creatievelingen, het bedaarde Stumm, het bourgondische Kaltenbach, en helemaal achteraan Mayrhofen, het kloppende toeristisch hart waar de kabelbanen me naar boven suizen.

Zillertal
Zillertal
Sommige plekken vragen om stilte, om meditatie, om de blik naar binnen.

Zillertal: Boven de wolken, naast een granaat

Mijn eerste ochtend begint met de Penkenbahn, die me vanuit Mayrhofen in een handvol minuten naar bijna tweeduizend meter tilt. Boven wacht de PanoramaRundWeg, een vriendelijke lus die zich door alpenweiden vouwt, langs banken en ligstoelen waarop je gewoon mag gaan liggen om de Zillertaler Alpen aan je voorbij te laten trekken. Het is een wandeling die niets van me eist en alles teruggeeft. Onderweg landt er een vlindertje op mijn schoen, dat daar een tijdje blijft zitten alsof ook hij geen haast heeft. Hierboven heeft niemand haast.

En dan, bij een stuwmeertje, dat kerkje. De Granatkapelle. Een zwarte, gefacetteerde kubus die uit het water lijkt op te rijzen alsof iemand een edelsteen op de berg heeft laten vallen. De Zwitserse architect Mario Botta gaf haar de vorm van een granaat, de steen die in deze bergen voorkomt. In het water spiegelt ze zich tot een perfecte dubbelganger. Binnen is alles lariks en stilte, met licht dat in de vorm van een kruis naar binnen valt. Ik blijf er langer dan ik van plan was. Sommige plekken vragen om stilte, om meditatie, om de blik naar binnen.

Zillertal

Een glas op tweeduizend meter in het Zillertal

Een kwartiertje verderop ligt de Granatalm, op 2.095 meter, en het is precies de plek waar je na al die stilte weer zin krijgt in wat lekkers. Christa en Georg runnen de hut al jaren met wat ze zelf Gastfreundschaft mit Herz noemen, en je voelt het meteen: het open haardvuur, de Stuben, het hout dat naar leven ruikt. Buiten strekt het grote zonneterras zich uit boven het dal, en in de oude balken naast de hut staat een rij melkbussen op een rek te glanzen, alsof de tijd hier een halve eeuw geleden vriendelijk is blijven hangen.

Ik schuif aan voor de bodenständige Tiroolse keuken, regionaal, eerlijk, zonder pretentie, en bestel een bord Pfifferlingen, de eerste van het seizoen. Wat sla, een schnapps of twee, appelsap half om half met spuitwater. Het is fijn om de middag namiddag te zien worden.

Zillertal
Een koperkleurig baken met geometrische ramen, een beetje ontirools brutaal modern

Slapen bij Mari

De avond vind ik terug in Ried, in het Mari Pop. Het is geen hotel zoals andere, en dat wíl het ook niet zijn. Markus Rist en Silvia Gschößer namen ooit de klassieke Grillhof van zijn ouders over en maakten er eerst een tijdelijk Pop Down Hotel van, wit vanbuiten, een regenboog vanbinnen, voor het uitgroeide tot wat het nu is: een koperkleurig baken met geometrische ramen, een beetje ontirools brutaal modern, vanbinnen vol kunst en kleur.

Het concept volgt de berg zelf, vertelt Silvia. Beneden, in de kelder, kleurt de neon-kunst en weerklinkt de stadse drukte met lezingen en concerten; op de begane grond stroomt de natuur door de grote ramen naar binnen, rond de open Mari-keuken en de gezellige Stube waar gasten en locals door elkaar zitten.
Helemaal bovenaan, op de derde verdieping, ligt de rooftop-spa, de metaforische bergtop, waar je oog de echte pieken raakt. Daartussen 45 kamers met veel hout en spannende kleuraccenten.
In de lobby loopt een serveerster met snelle pas voorbij een dieprode fauteuil en een mosterdgele bank, over een Perzische loper. Bij het zwembad staan flamingoroze parasols met franjes te wuiven boven loungebanken, hun spiegelbeeld trillend in het turkooizen water.  Stay forever, luidt het motto. Daar valt iets voor te zeggen.

Zillertal
Een diner bij Peter begint nooit aan tafel

Het diner begint in de tuin

Mijn laatste avond breng ik door in Stumm, bij Guat’z Essen, en het is meteen het meest bijzondere wat ik in dit dal at. Peter Fankhauser, een geboren Zillertaler die kookte bij adressen als The French Laundry in Napa en het Palais Coburg in Wenen, keerde terug naar huis met een idee dat hier aanvankelijk werd weggelachen: een plantbased restaurant, midden in vleesminnend Tirol. Vandaag heeft hij vier Gault-Millau-hauben én een Michelin-ster, en behoort hij tot een handvol restaurants ter wereld die fine dining zo radicaal plantaardig durven brengen.

Een diner bij Peter begint nooit aan tafel. Het begint in zijn verwilderde permacultuurtuin pal naast het restaurant, waar zo’n 800 planten uit oud zaadgoed groeien en waar hij me, baard onder een witte cap, vol vuur vertelt over zijn drijfveren. Zijn idee ontstond uit ergernis: te veel topkoks gebruikten enkel het mooiste van een product en gooiden de rest weg. Voor hem een doodzonde. Groente kost tijd, zon, water, energie. Dat verspil je niet. Zo’n 70 à 80 procent van wat op het bord belandt, komt uit deze tuin, gewerkt volgens het leaf-to-root-principe, waarbij niets verloren gaat.

Er is geen klassieke kaart. De tuin geeft de maat aan, de rest is een meergangenreis waarin elke gang een ode is aan één plantaardige hoofdrolspeler: een wortel, een knolselder, een paddenstoel, opgebouwd uit gelaagde aroma’s en fijne texturen, zonder effectbejag. Voor elke gang komt Peter zelf aan tafel om zijn sterren uit de tuin voor te stellen. Het is eerlijk, het is mooi, en het is precies waar dit dal me al die dagen naartoe had geleid: terug naar het wezenlijke.

Ik reed het Zillertal in voor de bergen. Ik rijd eruit met de overtuiging dat sommige dalen me niet zomaar laten gaan.

Door Toni De Coninck.

Meer info over vakantie in het Zillertal vind je via deze link.

Ontdek nog meer artikels over ...