Er hangt een geur die ik niet verwacht in een hotel dat tot de beste ter wereld wordt gerekend. Niet die van chloor of van een te zoet lobbyparfum, maar iets aards, iets dat gist en broeit, ergens tussen compost en natte cacao in. Ik sta in het hart van de afvalverwerking van Desa Potato Head, in Seminyak op Bali, en het is precies hier, tussen de bakken en de emmers, dat ik begrijp waarom deze plek anders is dan de meeste hotels.
Maar laten we bij het begin beginnen. Ik was op het eiland om chef Syrco Bakker te volgen, de reeks die je intussen op onze kanalen zag. Tussen de opnames door verbleef ik in twee van de mooiste hotels van Bali, en Desa Potato Head was er één van. Overdag heeft de plek iets van Ibiza, Mykonos of Tulum, met beats die aanzwellen naar de avond toe, sundowners aan het strand en een hippe, zonverbrande clientèle in hun mooiste hippie chic. Maar eilanden blijven vaak hangen bij die pose. Desa Potato Head maakt er een filosofie van.
Er is een eigen cocktailbar, met ingrediënten en recepten, zodat ik me ’s avonds aan een eigen creatie kan wagen
Het is ook een plek die de camera liever in de tas houdt, een strikte policy tegen professionele camera’s en shoots, en net dat maakt dat je begint te kijken in plaats van te scrollen. Gerecycleerde baksteen, meer dan anderhalf miljoen handgeperste tempelstenen, water dat de lucht spiegelt, en gangen waar het licht traag doorheen zakt. Het schreeuwt nergens om aandacht, en toch staat het op nummer achttien van The World’s 50 Best Hotels 2025, met daarbovenop ook nog de Eco Hotel Award. Dan moet je toch iéts goed doen?
Dat laatste is overigens geen etiket dat ze er hebben opgeplakt. Het zit in alles. Potato Head was het eerste Aziatische horecamerk dat carbon-neutraal werd, en hanteert sinds 2017 een zero-waste ethos die zo ver reikt dat vandaag nog amper drie procent van het gastenafval op de vuilnisbelt belandt. De rest krijgt een tweede leven, en dat gebeurt niet achter gesloten deuren maar in het volle zicht, in het Sweet Potato Lab en het Waste Centre, waar je als gast gewoon binnen mag lopen.
Ik doe de Follow The Waste-tour, en die gaat voorbij aan greenwashing. Meer nog, het is een atypische en oprechte hotelervaring waarbij gasten over het strand worden meegenomen en waar zij zelf het afval verzamelen, terwijl de gids vertelt over de afvalberg waar Bali onder gebukt gaat. Daarna volgt de werkplaats, en daar begint het te leven. Ik houd oesterschelpen vast die vermalen worden tot nieuw materiaal. Ik zie hoe wijnflessen, leeggedronken aan de bars van het resort, kandelaars worden. Bierdoppen, oude handdoeken, piepschuim, de vezels van een inheemse plant, alles wordt hier grondstof. De terrazzo-stoelen, gemaakt van gekleurd plastic, zou je zo in een designwinkel in Antwerpen zetten zonder dat iemand vermoedt dat je op een kruk van gesmolten afval zit.
En die winkel is er ook. Aan het einde van de tour beland je in een ruimte vol objecten en kleding, allemaal geboren uit wat ooit weggegooid werd. Ik koop een t-shirt, meer om de herinnering dan om het ding zelf, want het is een van de weinige plekken waar een souvenir geen schuldgevoel opwekt.
Ik logeer in het suitegedeelte, en de kamer zelf is een klein feest van vakmanschap. Er is een eigen cocktailbar, met ingrediënten en recepten, zodat ik me ’s avonds aan een eigen creatie kan wagen. Overal ligt mooi lokaal handwerk, kommetjes met nootjes en limoenblad, texturen die je wil aanraken. Ik laat me ook een Balinese massage aanmeten, dat trage, drukkende ritme dat je lijf laat vergeten dat het ooit in een vliegtuig zat.
Het is geen decoratie. Het is een stille erkenning, in hout gekerfd
Het ontbijt kan à la carte in het hoofdrestaurant, maar in de suites is er een apart plantbased ontbijt dat me doet twijfelen of ik ooit nog vlees nodig heb bij het krieken van de dag. Boekweitpannenkoeken met passievrucht en drakenfruit, kokosyoghurt, verse sapjes in de kleur van de zonsopgang. Ook dat is terroir, besef ik terwijl ik zit te eten met uitzicht op de tropische tuin. Duurzaamheid hoeft geen ascese te zijn, geen opgeheven vinger. Ze mag ook gewoon lekker zijn, en mooi.
Het detail dat me het langst bijblijft, hangt op de wand van mijn kamer. Een zin uit Max Havelaar, Multatuli’s roman uit 1860 over Java. “De Adhipatti bezag ’t hoofd van den kleine, en inderdaad, ook hy zag op de kruin den dubbelen haarwervel die, naar ’t bygeloof op Java, bestemd is een kroon te dragen.” Dat uitgerekend dit boek hier hangt, hét literaire werk over Nederlands koloniaal onrecht, in een hotel dat vandaag om herstel en teruggeven draait, lees je twee keer. Het is geen decoratie. Het is een stille erkenning, in hout gekerfd.
Ik denk nog vaak aan die geur in het Waste Centre. Aan hoe een plek die alles goed doet, toch nergens belerend wordt. Aan de beats en de sundowners, en tien minuten later de compostbakken. Good Times, Do Good, luidt het motto, en zelden valt een slogan zo naadloos samen met de werkelijkheid. Desa Potato Head bewijst dat luxe en verantwoordelijkheid geen tegenpolen zijn, maar elkaar juist versterken. Als je goed kijkt, tenminste. En dat, precies dat, mag hier weer.
Door Toni De Coninck.