Romariz is  een dorp aan de uitlopers van de bergen. Het ligt een stuk landinwaarts, vlak bij  de Douro die tussen de wijngaarden meandert. Er wordt al eens een middeleeuws feest gegeven om de geschiedenis te eren. Beneden aan het ronde punt, vlak voor je het dorp binnen rijdt, grilt een cafébaas er ieder weekend onder een tentje, op traditionele wijze een speenvarkentje voor de klanten. Leitão. Of prego no pão (steak sandwich). Het is pas als onze schrijnwerker ons in het jachthuis uitnodigt, op de kim van Romariz, dat ik er echt aandacht aan besteed. Ik had al eens leitão gegeten, hetzij per abuis want ik ben vegetariër maar toen dacht ik nog dat leitão een melkproduct was. Tja. Het is dus een schattig biggetje van een paar weken oud dat nog de melk van zijn moeder nodig heeft.

In het jachthuis, verstopt tussen de bomen aan het einde van een onverharde weg, krijg ik een vegetarische optie van kaas en toastjes (met krabsalade) en Davy een veganistische optie van enkel toastjes want alhoewel het gewoon maar een uitnodiging voor een drankje was, blijkt het eigenlijk de vijftigste verjaardag van onze schrijnwerker zijn vrouw te zijn.

Buiten keuvelen de mannen rond het speenvarkentje dat al uren op voorhand door twee professionele cateraars gegaard werd. Met een soort plumeau van wilde laurierbladeren wrijven ze het biggetje in met reuzel, knoflook en zwarte peper. Binnen tetteren de vrouwen aan een lange tafel. De meesten hebben een gezegende leeftijd en krullen zich op bij de open haard die furieus brandt. In de hoek boven hun hoofd speelt een televisienovelle. Er hangen trofeeën aan de muur. Het is koud en de vochtige lucht slaat de rook naar beneden. De mannen nemen Davy bij de arm, moeten hem iets belangrijk mededelen en ik doe me tegoed aan de toastjes met kaas. Niet eten zou heel wat gefrons opleveren maar de vrouwen schetteren als kettingzagen door elkaar; ik begrijp er niets van en schuifel met een handvol toastjes de geurige boslucht in. De schrijnwerker schenkt me een glas wijn uit in een plastic beker, wat ik normaal zou weigeren maar ik vergat mijn herbruikbaar tasje. De mannen leggen Davy geduldig uit hoe hij aguardente (vuurwater) moet stoken. Ze zien er allemaal gezond en tevreden uit. Rustig, ondanks hun arbeidsintensieve jobs. Een stukadoor wil Davy een alambiek verkopen en de schrijnwerker pingelt nog tien euro van de prijs.

Bij de eerste hap die ik neem kronkelen mijn smaakpapillen van genot

‘Sophie, eet alstublieft een beetje leitão,’ zegt hij tegen me, ‘mijn vrouw zegt dat je niet eet en ze is ongerust.’ Hij heeft een zachte blik met lange wimpers die zijn potige werkershanden compenseren.

‘Maar ik eet geen vlees,’ zeg ik bedremmeld.

‘Toe,’ zegt hij met een stem zo zacht als fluweel. ‘Ze zaagt me de oren van het lijf… Dan heb ik ook rust.’

Ik staar naar Davy die me welwillend toeknikt; we moeten integreren en hier gebeurt dat via de maag. Bij de eerste hap die ik neem kronkelen mijn smaakpapillen van genot. Het vlees is mals en sappig en krakerig tegelijk en het reuzelsausje overheerlijk. De schrijnwerker is blij, zijn vrouw is gerust en Davy kijkt naar me alsof ik net de Ronde van Portugal heb gewonnen. Mijn vegan man. Deze week nog paste hij zijn Instagramaccount aan van vegan naar 100 % herbivore. ‘Ik ben die labels zo beu,’ had hij gezegd. Ik vis mijn smartphone uit mijn zak en neem een foto van mijn broodje met vlees en het plastic bekertje met wijn en post het in mijn Stories. ‘Nèh,’ zeg ik en knipoog naar Davy. Fuck die labels. Vandaag gaat het over integreren en verbroederen, en in Romariz horen daar eeuwenoude tradities bij. Wie zijn wij om te zeggen wat mag en wat niet? Dan liever een vegetariër die af en toe vlees eet. Dat lijkt me menselijker.