Emigreren impliceert inburgeren. Het zou zowaar een slogan kunnen zijn van een rechtsdragende wannabe politicus. Maar ze kloppen wel, die amper drie woorden. Zij het in een totaal andere context. In casu die van mij. Samen met mijn wederhelft koos ik geheel zelf voor emigratie en aangezien dat niet naar niemandsland of de maan was, impliceerde die stap automatisch dat wij per definitie plotsklaps ook immigranten werden. En immigranten, zo zal de helaas niet wreed fictieve demagoog-van-den-Aldi van zonet maar wat graag beamen, die moeten inburgeren.

Hét begin van een goede band met de Ibicenco’s

Hier op Ibiza gebeurt dat niet middels een heuse inburgeringscursus, maar op het terrein zelve. Door je op een zo organisch mogelijk wijze onder de autochtone burgers te begeven en in te werken. Letterlijk inburgeren, dus. Hoe? Of beter: ¿Cómo? Door waar mogelijk al je moed en vocabulaire bijeen te schrapen en Spaans te spreken met de locals. De échte moeder- en onderlinge voertaal van de Ibicenco’s – zoals de Ibizanen/Ibizeesen genoemd worden – is dan wel Catalaans, maar zelfs de meest stugge inboorlingen hier beseffen dat dit voor elke neofiet een stapje te ver is en dus berusten ze in een mondje Castellano ofte gewoon Spaans, de nobele taal van Julio Iglesias. Zelfs al botst het meer dan het klinkt, het blijft altijd de moeite om, euh, moeite te doen, zo ondervonden we al snel. De intentie om de lokale burger in zijn eigen taal aan te spreken op een eiland dat barst van de expats levert namelijk meteen een goedkeurende knik en wat Castiliaans gemompel van die eilander op. Hét begin van een goede band met de Ibicenco’s.

We beginnen hier immers een alpacaboerderij met bijbehorende weefstudio

Uit die stuntelige conversaties leer je vervolgens ook al snel de plaatselijke gebruiken, gewoonten en verwachtingen kennen. In de eerste plaats: niet te hoog van de toren blazen. Gewoon doen is al zot genoeg, zoiets. In schril contrast met de circa zeven miljoen luidruchtige toeristen die hier elke zomer het eiland overspoelen en al zeker met de duizenden gefortuneerde tijdelijke inwijkelingen die op weg van hun peperdure villa naar een strandstoel van 300 euro op een exclusieve strandclub het geld uit de raampjes van hun Range Rover met buitenlandse nummerplaat smijten, schrijdt Juan Modaal hier liever gedempt en onder de radar door het zonnige leven. Dat wij tot het historisch kleurloze ras van bescheiden Belgen horen en dat in de meeste gevallen van nature ook onze manier van doen en aanpakken is, bleek voor één keer dus een meevaller. En net omdat mijn halve trouwboek en ik niet tot die eerder vernoemde socio-demografische groep patsers behoor die niet op een cent moet kijken, hadden we willens nillens al snel nog een streepje voor bij de Ibicenco’s. We zijn namelijk wel degelijk met een plan naar Ibiza afgezakt en daarvoor hebben we nagenoeg meteen de handen uit de mouwen moeten steken. Dat was ik van nature niét gewoon, voor alle duidelijkheid. Na als journalist een kwarteeuw vaak 10 tot 13 uur per dag achter een computerscherm door te brengen, impliceerde ons Ibiza-plan namelijk dat ik écht met mijn handen aan het werk moest. We beginnen hier immers een alpacaboerderij met bijbehorende weefstudio. Alpaca’s dus, die schattige minilama’s uit Peru met hun prachtvacht waarvan mijn Wevende Wederhelft – Weefwijfje voor de vrienden – op haar houten weefgetouw schitterende – en dat zeg ik in alle bescheidenheid, we blijven Belgen – sjaals weeft. Inderdaad, verder van mijn vorige beroepsactiviteit had ik het niet kunnen kiezen. We pachten daarvoor een stuk land op een steenworp van ons huisje en hebben de voorbije maanden vaak 10 tot 13 uur gewerkt om dat land om te toveren tot een alpacaklare boerderij. Omheining plaatsen rond de weiden, stallen bouwen, de oude stenen varkenshokken letterlijk uitmesten en proper maken, toegangspoorten in mekaar timmeren… En dat allemaal in de volle zon: de 81-jarige boerin-op-rust Maria, die in haar pittoreske finca op ons pachtland haar dagen slijt, keek er al die maanden naar met verwondering en groeiend ontzag. Maar wat bleek: dat hard labeur droeg zeker ook zijn steentje bij aan onze lokale assimilatie.

Dat zit zo: voor het massatoerisme dreef Ibiza decennialang op de landbouw, waardoor alle Ibicenco’s zonder uitzondering afstammelingen van die agrarische helden zijn. Dat immigranten zoals wij zich weer op hun oude ambachten storten – boeren en weven – vinden de autochtonen geweldig, zo bleek. Niet alleen boerin Maria was onder de indruk, ook haar dochter Maria. De buurvrouw – geloof het of niet, maar ook een Maria – die dagelijks met haar wandelstok tot bij Maria geschuifeld komt om een praatje te slaan, verruilde eveneens al snel haar wantrouwige blik voor eentje van bewondering. Dat we überhaupt zo snel die pachtgrond vonden, hadden we overigens ook aan een Maria te danken. In casu de vrouw van Pepe, de baas van het lokale familierestaurantje achter onze hoek. Die vertelde trouwens dat onze Maria verre familie is van zijn stokoude moedertje die bij hem inwoont en ons elke dag weer hartelijk begroet alsof het de eerste keer is. Drie keer raden hoe die heet. Correcto: Maria!

We zijn hier dus als het ware omsingeld door Maria’s. Eenmaal ietwat ondergedompeld in de couleur locale, kwamen we te weten dat dit geen toeval is. Zo is het hier onder de lokale bevolking nog steeds de traditie dat elke eerstgeboren dochter de naam Maria krijgt. We zijn op Pavloviaanse wijze zelfs de autoradio gaan afstemmen op Radio Maria.

Qua inburgering kan dat alvast tellen, toch?